De overstroming van Ruisbroek na het breken van de Vlietdijk was geen toevallige natuurramp, maar het gevolg van jarenlang verwaarloosd dijkenbeheer. De Scheldedijken verkeerden in slechte staat, terwijl federale middelen prioritair werden ingezet voor andere uitgaven, zoals de aankoop van nieuwe F-16-straaljagers. Toen het water kwam, werd de kwetsbaarheid van de regio pijnlijk zichtbaar. De ramp leidde tot de toepassing van de rampenwet om de inwoners van Ruisbroek te ondersteunen en vormde een belangrijke aanleiding voor het Sigmaplan, dat Vlaanderen vandaag moet beschermen tegen overstromingen.

Winterstormen horen er nu eenmaal bij in de landen langs de zuidelijke Noordzee. Eeuwenlang strijden wij in de Schelde-Rijn delta van de Lage Landen al tegen het water. In feite leven wij grotendeels in een ingedijkt stukje Noordzee, zonder dat we ons dit beseffen. Maar dijken zijn niet eeuwig en moeten jaar in, jaar uit, worden onderhouden. De natuur is geduldig en slaapt nooit. Wij wel. Het is een niet aflatende strijd tussen menselijk vernuft en volharding en de natuur, waarvan wij slechts een onderdeel zijn, evenals de door ons graag gegeten kip, konijn en koe.
Het waren Vlaamse monniken die in de Middeleeuwen de uiterwaarden aan de kust als geschenk kregen om het zielenheil van iemand die wat beter in de slappe was zat, te verwerven. Het was in het begin echt monnikenwerk om die als waardeloos beschouwde gebieden in te polderen met de schop en de uit China overgewaaide kruiwagen. Vlaanderen en Nederland werden een kwetsbaar polderland. Regelmatig werd het delicate evenwicht tussen menselijk vernuft en de natuur verstoord door overstromingen. Onze geschiedenis is ervan vergeven.
Ruisbroek 3 januari 1976
Wat de natuur betreft, was dit een perfecte dag voor een Vlaamse overstroming door de dodelijke combinatie van een zeer zware noordwesterstorm, springtij en laks onderhoud van de zeedijken langs het stroomgebied van de Schelde. Die combinatie hadden we in 1953 ook al eens gehad. Toen was vooral Nederland met 1863 doden, de klos. Drieëntwintig jaar later was Vlaanderen en vooral het rustige en pittoreske dorpje Ruisbroek aan de Vliet, dezelfde klos.
Met de rampen komen de herdenkingen en monumenten. Ze zijn altijd te laat.
De depressie die deze storm veroorzaakte begon weer nabij de Azoren en trok daarna via de Noordzee, Denemarken en Oekraïne naar de Oeral. In de Lage landen liet hij een spoor van vernielingen achter. In Ruisbroek voltrok zich dé Vlaamse ramp. Op zaterdag 3 januari 1976, ontstond er in de Vliet, een zijrivier van de Rupel die weer een zijrivier van de Schelde is, een bres van bijna 100 meter! Hierdoor liep zo’n 900 hectare land onder. Het hele, nu niet meer zo pittoreske, dorp kwam onder water te staan. Meer dan 2000 mensen werden met bootjes door de ondergelopen straten geëvacueerd, terwijl 800 huizen waterschade hadden.
Dat is niet goed, jongen!
Guido en Leonie Meeus zijn vrienden van ons. Ze wonen volgens mij (bijna) in Ruisbroek. De Kleine Amer is Kalfort. Net geen Ruisbroek. Onderwijzeres Leonie is wel een geboren en getogen Ruisbroekse. De koffie is er goed en de verhalen over de streek zijn dat ook. Op die gedenkwaardige dag ging Frans Meeus met zoon Guido even kijken bij de Vliet. Frans was bezorgd. De storm gierde om het huis en de regen kletterde tegen de ramen.
Voor deze streek was de Vliet al eeuwenlang van groot economisch en sociaal belang. Ze vormde lange tijd de belangrijkste verbinding met Antwerpen en Brussel. Met kleine boten werden goederen over de Vliet verscheept naar het westen, via de Schelde, de Durme en de Dender. Het transport naar het oosten ging via de Nete, de Dijle en de Zenne. Zo werden bouwmaterialen en steenkool naar Puurs gebracht. Aan één lading vanuit Brussel zat echter een geurtje: stront, als mest voor de Puurse land- en tuinbouw, waarvan de producten gretig aftrek vonden in die stad.
Aan één lading vanuit Brussel zat echter een geurtje ...
De losplaatsen aan de Vliet werden ‘amers’ genoemd. Puurs kende er drie: de Grote, de Kleine en de Eikse Amer. De Grote Amer was de oudste. De Kleine Amer was, vanwege de industrie, de belangrijkste. Vanuit de Eikse Amer vertrokken beurtdiensten met een vaste dienstregeling voor het vervoer van goederen en mensen.
Bij de koffie hoor ik het smeuïge verhaal hoe Guido en zijn vader, kromgebogen door de storm, naar de aanlegplaats liepen. Daar staat nog steeds een mooi oud en gerestaureerd groot handelshuis. Hier schuilden ze voor de wind en bekeek zijn vader het woelige water in de Vliet. Het was nog steeds opkomend tij. Frans zag ergens een plastieken fles liggen. Ook toen rukte het zwerfvuil al op. “Haal die fles eens, jongen”, zei hij. Guido gaf hem aan zijn vader, die de fles in het water gooide. De fles dreef niet stroomopwaarts, zoals bij het opkomende tij was te verwachten. Hij dreef de ander kant. Frans begreep dat er iets goed mis was. “Dat is niet goed, jongen” zei hij; “We gaan naar huis”.
Hulp komt traag op gang
Er was dijkbewaking langs de Vliet. Iedereen zag het steeds maar stijgende water, waardoor de zorg langzaam maar zeker omsloeg in angst. Aan de monding van de Vliet spookte het behoorlijk. Volgens een ooggetuige waaide er schuim over de dijk. Hij ging kijken en zag dat het ziedende water al tot aan de rand ervan stond. De dijk stond letterlijk op instorten. Niet lang daarna gebeurt dat dan ook. Er spoelde water en zand, met een vernietigende kracht de laag liggende polders en het dorp binnen. Huisraad, dreef rond. Mens en dier vluchtten zo snel mogelijk weg. De watersnoodramp van Ruisbroek was geboren en maakte geschiedenis.

Rond half zes in de middag, begaf de dijk aan de monding van de Vliet het. Op die plek is nu het derde monument onthuld. Het was bekend dat de Vlietdijk in een slechte staat verkeerde. Maar men was het er nog niet over eens wat de beste oplossing zou zijn. Die beslissing kwam hiermee letterlijk in een stroomversnelling, ten koste van de halve bevolking van het ongelukkige dorp. De politiek heeft ook toen gefaald door de ernst van deze natuurlijke dreiging, van onze erfvijand de zee, niet goed in te schatten. Dat was niet de eerste en zal dat zeker niet de laatste keer zijn. Onze huidige klimaatcrisis wordt door de Vlaamse overheid tegen beter weten in, schromelijk onderschat.
Uit het hele land kwamen mensen naar Ruisbroek om te helpen.
Mensen vluchtten naar het eerste verdiep of de zolders tot er hulp zou komen. Een helikopter van het leger kwam de volgende dag de schade opnemen. De belangrijkste conclusie was het briljante besluit om het gat in de Vlietdijk te gaan dichten. Wat zou je anders doen? Maar hulp bleef uit. De Ruisbroekenaars sloegen de handen ineen. Ze hielpen elkaar waar dat maar kon. Uit het hele land kwamen mensen naar Ruisbroek om te helpen. Het vee en de mensen zochten hun heil op het kerkhof bij de iets hoger gelegen parochiekerk Sint-Katharinakerk. Waar bleef echter de overheid die verantwoordelijk was voor het slechte onderhoud van de dijken? Het ongenoegen nam toe.

In juni 1975 bestelde België samen met een aantal andere Europe landen, waaronder Nederland dat in 1958 formeel met zijn Deltawerken was begonnen, nieuwe gevechtsvliegtuigen, de F-16 straaljager. Nederland bestelde er 102; België 116, goed voor 30 miljard Belgische frank. Drie dagen na de dijkdoorbraak bezocht de toenmalige Belgische koning Boudewijn het rampgebied in een bootje. Hij kreeg de wind van voren toen een bewoner tegen hem zei dat er miljarden werden besteed aan straaljagers maar er geen geld was voor de verdediging van het land tegen het water.
Wel geld voor defensie en F-16s, maar niet voor veilige dijken was dé klacht van de Ruisbroekenaren. Gebeurt nu weer hetzelfde met onze klimaatcrisis?
De dag ervoor waren premier Leo Tindemans en de minister van Binnenlandse Zaken Louis Michel ook al langs geweest. Aan Brussels belangstelling was geen gebrek. Maar voor een schadevergoeding moesten de dappere Ruisbroekenaars hemel en aarde bewegen. Uiteindelijk werd hiervoor een bestaande wet aangepast. Gelukkig kwam de hulpverlening na het bezoek van de koning, die eiste dat de regering met een oplossing kwam, wel op gang. Uiteindelijk werd het gat in de dijk gedicht met behulp van de Nederlanders. Met hun stenenstorter, die precies in de bres werd gepositioneerd, zodat er een laag stenen als fundament kon worden gestort. Daarna werd het gat verder gedicht. Na twee dagen pompen in plaats van verzuipen, was Ruisbroek op 17 januari 1976 weer droog.
Vijftig jaar later
De overstroming van Ruisbroek werd een kantelpunt in het door de eerste Staatshervorming van 1970 geregionaliseerde België. In navolging van het nationale Deltaplan van onze noorderburen, kwam er het Vlaamse Sigmaplan, dat een jaar later werd bekend gemaakt. Het doel ervan is het risico op overstromingen in het stroomgebied van de Schelde, die een getijdenrivier is, te verkleinen. Als eerste prioriteit werden de dijken verhoogd langs de Schelde en haar zijrivier en waar dat getij nog steeds van invloed is. De voorziene Oosterweel-stormvloedkering kwam er echter niet. Te duur.
Hoewel het Sigmaplan voortdurend wordt geactualiseerd en hoewel men aanneemt dat met de realisatie ervan in 2030, de veiligheid tegen overstromingen in de Scheldevallei zeker wordt gesteld tot 2100, neemt de kritiek op het plan toe, vanwege onze klimaatcrisis. Het is met name de Vlaamse regering die hier, binnen de Belgische context, dwarsligt en onvoldoende middelen vrijmaakt, waardoor de uitvoering wordt vertraagd. Critici vrezen dat het lakse beleid zal worden ingehaald door de snelheid van de klimaatverandering, waarvan o.a. zeespiegelstijging en extreme neerslag het gevolg zijn.
Download het blogbericht als pdf-bestand: