Waf-blieft

Jarenlang, eigenlijk het grootste deel van mijn leven, ben ik doodsbang geweest voor honden. Formaat of volume van de blaf deed er niet toe. Elke hond joeg mij de bomen in of boven op de stapels stro bij mijn tante. Gelukkig kon ik toen nog snel genoeg lopen. Geen huis of café ging ik binnen als daar een hond zat. En allemaal zonder duidelijke reden. Nooit gebeten of aangevallen. Een echte fobie.

Nu wordt die in ons land wel voldoende gevoed. Er lopen meer dan anderhalf miljoen honden rond. Het is dus duidelijk dat de gemiddelde Belg nog wel wat geld over heeft, want zo’n huisdier kost wel wat. Natuurlijk is de hond een goede kameraad voor veel mensen, een levend wezen dat voor aangenaam en vaak speels gezelschap zorgt. Hoeveel zouden er niet tegen de muren moeten praten als die hond er niet was?

Voor een groep anderen is die grote groep honden echter allesbehalve comfortabel. Zelf had ik het geluk dat ik van mijn angst ben afgeraakt, eerst dankzij de hond van mijn broer, later door de goedmoedige boxer die mijn dochter na veel aandringen bij ons mocht binnenbrengen. Hierdoor kreeg ik in korte tijd heel wat extra vrijheid. Niet dat ik een hondenvriend werd, maar die mateloze angst verdween en ik moest de honden niet meer mijden.

Diegenen die echter met hun fobie blijven zitten, hebben het nog vaak moeilijk. Zo goed als alle baasjes zijn ervan overtuigd: “Mijn hond doet niets!”. Maar daar gaat het niet om. Wie bang is voor honden, is daar niet mee geholpen. Wat wel helpt, is de hond weg houden van iedereen die daarom vraagt. Zonder waarom te vragen. Of toch: omdat men van mensen houdt.

Jaimie

26/10/2020

Auteur: André Vansteenbrugge (67) gewezen leraar Nederlands (en psychologie), gewezen adjunct-directeur en directeur van het Atheneum Oudenaarde. In zijn jonge jaren medeoprichter van de literaire tijdschriften Restant en Koebel en schrijft eigenlijk al heel zijn leven lang. Sinds enkele jaren ook grootouder, kort nadat hij weduwnaar was geworden.